Kleinkunst van grote klasse Charlotte Glorie
VOLMAAKT UNIEK “Mam, ik wil een beugel,” roept Julia al maanden. “Ik schaam me zo voor mijn overbeet dat ik op foto’s altijd met mijn mond dicht lach. Kim en Stephanie hebben ook een beugel gehad en hun gebit is nu perfect. Maar hun moeders kunnen zien, dus die zorgen dat hun dochters mooi zijn en niet gepest worden.” Au, dat komt keihard aan! Mijn kind mag niet de dupe zijn van het feit dat ze een blinde moeder heeft. Voor geen goud wil ik dat ze zich schaamt en zich lelijk voelt en zeker niet door mijn nalatigheid. Ik verplaats me altijd zo goed mogelijk in haar, maar ik heb nou eenmaal geen deel aan het spel van kijken en bekeken worden. Omdat ik Julia’s bekkie niet kan vergelijken met de gave gebitten die het straatbeeld domineren, weet ik niet hoe zeer haar overbeet afwijkt van de norm en hoeveel last ze heeft van pesterijen en meewarige of zelfs minachtende blikken. Natuurlijk kan ik bedenken dat voor pubers het uiterlijk heel belangrijk is, ja, bedenken, met mijn verstand, maar ik voel en herken het niet vanuit mijn eigen ervaringen als tiener. Op mijn dertiende vond mijn moeder dat ik een beugel moest, omdat ik twee scheve voortanden had. Ik verzette me hevig, want ik was bang dat ik dan niet meer duidelijk zou kunnen praten en zingen en die fel begeerde hoofdrol in de schoolmusical zou mislopen. Vlak voor de afspraak met de orthodontist schreef ik een boos gedicht waar o.a. ”Fietsenrek in mijn bek, ‘k ben daar gek!” in voorkwam. Ik had me die woede kunnen besparen, want de orthodontist zei na één blik in mijn mond: “Ach, dat stelt zo weinig voor. Van mij hoef je geen beugel.” Ik kon hem wel omhelzen. Voor Julia is dat verhaal natuurlijk achterhaald, want zij ziet om zich heen dat bij de kleinste onvolkomenheid aan een gebit al een beugel wordt aangemeten en dat je er dus uit ligt als je daar niet aan begint. En dus zitten we nu samen bij de orthodontist. Hij zegt zonder omhaal dat voor Julia een beugel geen zin heeft en dat alleen een zware, corrigerende kaakoperatie, die over een paar jaar kan worden uitgevoerd, zal helpen. Nee toch? Is dat nou echt nodig? Wordt mijn prachtige meisje dan niet verminkt? Ik vind haar gezicht mooi zoals het is. Is er dan zoveel mis met haar gebit? “Zie je nou wel mam!” zegt Julia, ”Ik zei toch dat ik lelijk was?” Ik wil zo graag een goede moeder zijn. Ben ik dat door toe te stemmen in de kaakoperatie, omdat ik haar een perfecte mond met tanden gun? Of geef ik haar juist iets kostbaars mee door haar te vertellen dat ik als blinde dagelijks ervaar dat er zoveel meer is dan het uiterlijk wat een mens waardevol maakt: uitstraling, datgene wat iemand doet en zegt, en dat ik bang ben dat we binnenkort in een wereld leven waar je een paria bent als je je neus en je oren niet aan het schoonheidsideaal laat aanpassen? In zo’n wereld is iedereen volmaakt hetzelfde. Voor een blinde met starende ogen en een schuifelpas is daar geen plaats. Het lijkt mij saai, want juist de karakteristieke eigenaardigheden die iemand uniek maken, vind ik zo geweldig. Het grote hoofd met de woeste krullen van Guus is heerlijk om vast te houden en Wouters oren, waarvan de één net iets flapperiger is dan de ander… Zo vertederend! En Julia’s overbeet, tja, ik denk dat ik haar over een paar jaar zelf laat beslissen of ze daar iets aan laat doen. Wat ze ook kiest, ik zal het respecteren. Zij neemt mij gelukkig ook zoals ik ben, compleet met blinde ogen, schuifelpas en scheve voortanden. Ik ben nog steeds blij dat ik destijds het lekker kunnen praten en zingen heb verkozen boven het perfecte uiterlijk. Dat doe ik nog steeds hoor! Ik laat die dubbele onderkin, die steeds dubbeler wordt, ook mooi zitten. Ik zie de afkeurende blikken en de strakke kinnetjes van andere vrouwen toch niet. En trouwens, die onderkin is een prima klankkast bij het praten en zingen.

Charlotte Glorie | +31 6 38 25 38 31  | info@charlotteglorie.nl